Hof 's-Hertogenbosch 28 juni 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB2716
Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat zij als medebestuurder is aangebleven om zo mogelijk enig zicht en enige grip te houden op het gezamenlijke vermogen van en in A Holding, mede met het oog op de latere verdeling van dat vermogen tussen de heer C en belanghebbende, alsmede dat zij zich nooit inhoudelijk met de financiën heeft bemoeid. Ook heeft zij verwezen naar de feiten en omstandigheden [...]. Op grond van een en ander betwist belanghebbende dat het niet betalen van de belastingschuld door A Holding [...] het gevolg is van aan haar te wijten onbehoorlijk bestuur, als bedoeld in artikel 36, lid 3, van de Invorderingswet 1990. Het hof volgt belanghebbende niet in dit betoog. De parlementaire geschiedenis van de wet inzake de bestuurders aansprakelijkheid geeft aan, dat mag worden verwacht dat een bestuurder zich regelmatig op de hoogte stelt van de financiën der vennootschap (Memorie van Antwoord, blz. 18 bij wetsvoorstel 16 530), en dat accepteren van het niet nakomen van informatie door de financiële bestuurder aan de andere bestuurders niet leidt tot disculpatie wegens onwetendheid (Memorie van Antwoord blz. 5 bij wetsvoorstel 16 530). Van een directeur van een vennootschap mag worden verwacht dat hij in het bijzonder op het gebied van de collectieve bestuurdersverantwoordelijkheden als financiën en belastingzaken extra waakzaam is (Rechtbank Rotterdam, 29 januari 1993, VN 1993, blz. 744). Door het zich onthouden van het zich terugtrekken als bestuurder of van het naar een andere oplossing in een bestuursconflict zoeken, is het risico genomen dat de zaken der vennootschap fout zouden kunnen lopen, en dat men daar als bestuurder op kan worden aangesproken (Hof Den Haag 18 november 1993, VN 1994, blz. 485). Bij het zich inhoudelijk niet bemoeien met de gang van zaken in de vennootschap, heeft men een situatie in het leven geroepen en in stand gelaten waarin men als directeur geen gestalte heeft gegeven aan de verantwoordelijkheid uit dien hoofde (Rechtbank Assen 23 april 1996, VN 1996 blz. 1994). De eventuele omstandigheid dat men feitelijk geen bemoeienis heeft gehad met de financiële administratie van de vennootschap, kan in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid niet als een verzachtende factor worden beschouwd (Centrale Raad van Beroep 13 mei 1996, CSV 19966/230 ). De omstandigheden dat het financiële en administratieve bestuur feitelijk in handen is van een medebestuurder, door wie men, naar belanghebbende heeft gesteld, voorts op een zijspoor is gezet, kan niet leiden tot de conclusie leiden dat van onbehoorlijk bestuur geen sprake zou zijn; integendeel, daarmee zou komen vast te staan dat de primaire plicht als bestuurder is verzaakt en men zich heeft onttrokken aan de verantwoordelijkheden (Rechtbank Almelo, 13 mei 1998, VN 1998, blz. 2747).
De uitspraak op rechtspraak.nl