Hof 's-Hertogenbosch 30 mei 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7865
Naar het oordeel van het Hof volgt uit de onder 2.2 en de onder 2.8 weergegeven feiten, dat de (aan de belanghebbende door zijn werkgever ter beschikking gestelde) personenauto niet hoofdzakelijk is bestemd voor (duurzaam) gebruik in Nederland en evenmin daar hoofdzakelijk feitelijk (duurzaam) wordt gebruikt. De heffing van de belasting van personenauto's en motorrijwielen wordt derhalve niet gerechtvaardigd door een hoofdzakelijke bestemming voor duurzaam gebruik in Nederland of een hoofdzakelijk feitelijk duurzaam gebruik van die auto in Nederland. Daargelaten of sprake is van een andere rechtvaardiging voor de heffing van de belasting van personenauto's en motorrijwielen in het onderhavige geval is het Hof van oordeel, dat de onderhavige op grond van artikel 1, vijfde lid van de Wet BPM opgelegde naheffingsaanslag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Immers, de van de belanghebbende geheven belasting is niet bepaald evenredig aan de gebruiksduur van de personenauto in Nederland. Hierbij overweegt het Hof, dat uit de beschikking van het HvJ EG van 27 juni 2006, Van de Coevering, Jurispr. 2006, bladzijde I-05843, punt 30 volgt, dat het HvJ EG van oordeel is dat de wetgever een aan het gebruik van de personenauto in Nederland evenredige belasting van personenauto's en motorrijwielen zou kunnen bewerkstelligen.
De uitspraak op rechtspraak.nl