Hof 's-Hertogenbosch 25 april 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7481
Belanghebbende heeft van deze schenking aangifte gedaan, waarbij zij een beroep heeft gedaan op het 11%-tarief van artikel 24, lid 4, van de SW. De Inspecteur heeft de aangifte gevolgd en het beroep op het 11%-tarief gehonoreerd. Belanghebbende heeft tegen het gehanteerde tarief bezwaar gemaakt. Daarbij heeft belanghebbende primair verzocht om een behandeling gelijk aan die van het Prins Bernhard Cultuur Fonds (hierna: PBCF). Het PBCF is bij beschikking van 4 juni 1946, nr. 273, kwijtschelding verleend van schenkingsrecht. Subsidiair heeft belanghebbende verzocht om kwijtschelding op grond van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 31 januari 2001, nr. CPP 2000/3109. [..] Niet in geschil is dat de onderwerpelijke schenking niet voldoet aan de in artikel 67, lid 1, ten derde, van de SW, gestelde wettelijke eis dat de stichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend de bevordering van kunst of wetenschap ten doel heeft. Volgens belanghebbende leidt het stellen van die eis echter tot ongeoorloofde discriminatie. Belanghebbende stelt daartoe primair dat haar geval rechtens en feitelijk op één lijn te stellen is met het geval van het PBCF. Zij stelt dat zij daarom op dezelfde wijze als het PBCF moet worden behandeld. De Inspecteur bestrijdt dit, naar het oordeel van het Hof terecht, met een verwijzing naar een feitelijke verschil in strekking. De schenking strekt duurzaam tot steun aan alles wat ten algemenen nutte is, terwijl de vele schenkingen aan het PBCF of vergelijkbare instellingen nagenoeg uitsluitend strekken tot bevordering van kunst of wetenschap. Bovendien ontving belanghebbende in 2001 een grote schenking, terwijl het PBCF al vele jaren vele kleine schenkingen ontvangt. Er is dus, naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, ook een praktische reden voor een bijzondere regeling voor het PBCF (geen aangifteplicht en kwijtschelding). Belanghebbendes primaire grief treft daarom geen doel. Om dezelfde reden faalt belanghebbendes aan haar primaire standpunt gekoppelde grief dat haar geval rechtens en feitelijk op één lijn te stellen is met de overige of andere gevallen van artikel 67, lid 1, ten derde (zoals het PBCF) en het onderdeel van belanghebbendes subsidiaire grief dat het in artikel 67, lid 1, ten derde, van de SW opgenomen criterium "uitsluitend of nagenoeg uitsluitend" een ongeoorloofde discriminatie veroorzaakt. De gevallen zijn naar het oordeel van het Hof onvoldoende vergelijkbaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl