Hof 's-Hertogenbosch 25 april 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7480
Ingevolge artikel 11, lid 1, onderdeel u, van de Wet OB 1968 jo. artikel 9, lid 1, onderdeel f, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, kan de in deze artikelen omschreven vrijstelling slechts toepassing vinden voorzover de diensten rechtstreeks nodig zijn voor het verrichten van vrijgestelde prestaties. Het Hof is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de prestaties van belanghebbende, die, naar de Inspecteur terecht heeft gesteld, eerst aan de orde komen als de specialisten, ten behoeve van wie belanghebbende presteert, hun diensten hebben verricht, rechtstreeks voor die diensten noodzakelijk zijn. Reeds daarop stuit het beroep op de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel u, af, nog daargelaten of de prestatie van belanghebbende niet tenminste gedeeltelijk het karakter draagt van het verzorgen van de financiële administratie, welke dienst uitdrukkelijk van de onderhavige vrijstelling is uitgezonderd. [..] Er is sprake van kosten voor gemene rekening indien kosten worden gemaakt ten behoeve van verschillende ondernemers, die in eerste instantie door een van hen worden betaald en voor het werkelijke bedrag volgens een tevoren bestaande verdeelsleutel over de bedoelde ondernemers worden omgeslagen, terwijl het risico van die kosten allen volgens de overeengekomen verdeelsleutel aangaat (HR 23 april 1997, nr. 32 166, V-N 1997/1806,15). Een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval, waarin een afzonderlijke rechtspersoon prestaties verricht aan individuele specialisten en de daaraan verbonden kosten vervolgens hoofdelijk omslaat, niet voor. [..] Ter zake van de inning van declaraties en de doorbetaling daarvan aan de leden geldt in beginsel de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel j, 2°, van de Wet OB 1968. Belanghebbende verricht evenwel een samengestelde dienst, als sub 4.2 omschreven, jegens haar afnemers, waarvan de onderdelen naar het oordeel van het Hof zodanig met elkaar zijn verweven, dat afsplitsing van innings- of betalingshandelingen een kunstmatig karakter zou dragen (vgl. Hof van Justitie 25 februari 1999, C-349/96 (Card Protection Plan), V-N 1999/15.28). Op die samengestelde dienst kan genoemde vrijstelling geen toepassing vinden.
De uitspraak op rechtspraak.nl