Hof 's-Hertogenbosch 14 februari 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2989
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: Heeft de Inspecteur in verband met de vestiging van het recht van vruchtgebruik op de complexen A en B terecht de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd? Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de kwalificatie van de vestiging van het recht van vruchtgebruik op de complexen A en B voor de heffing van omzetbelasting. Met name is daarbij van belang of de vestiging van het recht van vruchtgebruik, mede gelet op de Wet van 18 december 1995 als een levering van een goed kan worden aangemerkt. Het bedrag van de naheffingsaanslag is niet in geding. Verder is niet in geding dat de koopsommen van het recht van vruchtgebruik lager zijn dan de kostprijs als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de Wet OB 1968.
De uitspraak op rechtspraak.nl