Hof 's-Hertogenbosch 12 maart 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2913

Vormverzuim in het voorbereidend onderzoek (artikel 359a WvSv): DNA-vergelijkend onderzoek. Het OM zou volgens de verdediging calculerend met het DNA-profiel van verdachte zijn omgegaan nu de sepotbeslissing in een andere zaak (zaak A), waarin het DNA-profiel van verdachte was opgenomen in de databank, in een veel vroeger stadium had kunnen worden genomen. Het DNA-profiel van verdachte, dat de politie op het spoor van verdachte zette in de huidige zaak (zaak B), was derhalve ten onrechte nog in de databank aanwezig (artikel 16 Besluit DNA-onderzoek in strafzaken). Dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM dan wel bewijsuitsluiting. Het hof stelt voorop dat - zo er al sprake van was dat het OM niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 16 Besluit DNA-onderzoek - dit heeft plaatsgevonden in het kader van en oplevert een vormverzuim begaan in het vooronderzoek in een andere zaak (zaak A). Evenwel zou het gebruik maken van een DNA-profiel van verdachte dat zich ten tijde van het DNA-vergelijkend onderzoek niet meer in de DNA-databank had mogen bevinden, onder omstandigheden wel een vormverzuim begaan in het voorbereidend onderzoek in de onderhavige zaak (zaak B) kunnen opleveren. Op grond van de omstandigheden van het geval is het hof van oordeel dat op de datum van het DNA-vergelijkend onderzoek het DNA-profiel van verdachte zich rechtmatig in de DNA-databank bevond. Er is dus geen sprake geweest van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a WvSr in het kader van het voorbereidend onderzoek in zaak A. Reeds daarom is er voor niet ontvankelijk verklaring van het OM of bewijsuitsluiting in zaak B geen reden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen