Hof 's-Hertogenbosch 20 maart 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2753

Het hof is van oordeel dat gelet op de vastgestelde feiten, het verhandelde ter zitting en het hiervoor gestelde, belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de activiteiten met de paarden zijn aan te merken als landbouw als bedoeld in artikel 1, onderdeel a van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ. Belanghebbende heeft daarmee voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Het hof overweegt daarbij onder meer dat de paarden immers, zoals ook ander vee, (deels)verblijven op de aan belanghebbende ter beschikking staande weilanden. Dat een deel van de paarden van belanghebbende via uitscharing gedurende een bepaalde periode op weiland elders graast, is daarbij niet van belang. Het hof overweegt daarbij tevens dat belanghebbende voor het verlenen van vergunning ingevolge de Wet milieubeheer als een agrarisch bedrijf wordt aangemerkt. Ook in uiterlijke verschijningsvorm en naar maatschappelijke opvattingen is naar het oordeel van het hof sprake van een landbouwbedrijf.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen