Hof 's-Hertogenbosch 4 januari 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2456

Naar het oordeel van het Hof kan de Inspecteur een in bezwaar niet-ontvankelijk geschrift niet anders afwijzen dan bij een voor beroep vatbare uitspraak, omdat alleen dan een belanghebbende de belastingrechter kan adiëren ten einde de juistheid van het oordeel van de Inspecteur inzake de ontvankelijkheid te laten beoordelen. Hiertoe wijst het Hof op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 22 februari 1950, gepubliceerd in B 8784, van 18 juni 1958, nr. 13 606, gepubliceerd in BNB 1958/236, van 17 dec. 1969, nr. 16 263, gepubliceerd in BNB 1970/32, van 17 augustus 1998, nr 33 599, onder meer gepubliceerd in BNB 1998/320 en 26 maart 2004, nr. 38 548, onder meer gepubliceerd in V-N 2004/18.4 en van 21 april 2006, nr. 41 033, onder meer gepubliceerd in V-N 2006/21.3. Hieraan doet niet af, dat de Inspecteur verzuimd heeft in de uitspraak de belanghebbende niet-ontvankelijk te verklaren in haar bezwaar. In een dergelijk geval dient het Hof alsnog de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar uit te spreken (zie arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 20 september 2002, nr. 37 200, onder meer gepubliceerd in BNB 2002/366). Voorts overweegt het Hof, dat de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting - onweersproken - heeft gesteld, dat hij de belanghebbende reeds eerder schriftelijk erop heeft gewezen dat tegen de opgave geen bezwaar en/of beroep openstaat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen