Hof 's-Hertogenbosch 3 april 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2449

Het uitgangspunt van appellante is dat bij haar pensioenopbouw geen rekening is gehouden met het “effectieve niveau van haar (geïndividualiseerde) AOW-uitkering” omdat wordt aangenomen (door hantering van de kostwinnersfranchise) dat de geïndividualiseerde AOW-uitkering van haar partner aan haar toekomt, terwijl dit feitelijk niet het geval is. Echter ook bij de werknemer die kostwinner is wordt geen rekening gehouden met het “effectieve niveau van diens (geïndividualiseerde) AOW-uitkering”. Immers, ook ingeval van een kostwinnersrelatie komt de AOW-uitkering van de partner van de werknemer-kostwinner feitelijk en rechtens niet aan de kostwinner toe, maar aan diens partner. Het effectieve niveau van de AOW-uitkering van de werknemer wordt, bij een berekening van een 70%-eindloonpensioen inclusief de kostwinnersfranchise, in beide gevallen gene-geerd en wel in gelijke mate. Het feit dat dit in een kostwinnersrelatie slechts een partner treft en in een tweeverdienersrelatie beide partners (indien ten aanzien van beiden de kostwinnersfranchise wordt toegepast) is, zoals gezegd, een effect dat niet in strijd is met art. 119 (thans 141) EG Verdrag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen