Hof 's-Hertogenbosch 13 februari 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:AZ8631

Het recht van pand is, net als het recht van hypotheek, een beperkt recht dat er toe strekt om op het daaraan onderworpen goed - in casu: de vordering tot levering - een vordering tot voldoening van een geldsom - in casu: voornoemde vordering tot schadevergoeding (zie 4.13) - bij voorrang boven andere schuldeisers te verhalen (artikel 3:227 BW). Derhalve komt de pandhouder slechts een verhaalsrecht toe op de opbrengst van het verpande goed. Toeëigening van het verpande goed zelf is expliciet verboden (artikel 3:235 BW) en daarom ook bepaalt artikel 3:246 lid 5 BW dat bij inning van een verpande vordering door de pandhouder het pandrecht op het geïnde komt te rusten. Dus zelfs al zou een geldig pandrecht tot stand zijn gekomen, dan nog biedt dit pandrecht geen grondslag voor toewijzing van de vordering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen