Hof 's-Hertogenbosch 14 september 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:BA2537
Vaststaat, dat de belanghebbende de winst ad fl. 101.652,= over het onderhavige jaar, 1993, niet als dividend heeft uitgekeerd. Daarmee staat vast, dat de belanghebbende niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 28, tweede lid, aanhef, onderdeel b van de Wet VpB 1969, dat de winst niet later dan in de achtste maand na afloop van het jaar ter beschikking wordt gesteld van de aandeelhouders. Uit artikel 10, derde lid Besluit Beleggingsinstellingen volgt dan, dat de belanghebbende niet meer als beleggingsinstelling wordt aangemerkt met ingang van het jaar 1993 en dat de herbeleggingsreserve van fl. 1.600.000,= en de afrondingsreserve van fl. 185,89 in de winst van het jaar 1993 moeten worden opgenomen. Aan het onder 4.6 vermelde oordeel doet niet af, zoals de belanghebbende tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft betoogd, dat niet is overgegaan tot uitkering van de winst over het jaar 1993, omdat vanwege de verkoop van de aandelen in de belanghebbende op 22 september 1993 er vanuit kon worden gegaan dat de winst niet behoefde te worden doorgestoten. Immers, zelfs indien de uitkomst van de onder 2.7 bedoelde civielrechtelijke procedure zou worden, dat O c.s. in 1993 aandeelhouder is gebleven staat vast dat niet is voldaan aan het voor het regime van beleggingsinstellingen in artikel 28, tweede lid, aanhef, onderdeel b van de Wet VpB 1969 gestelde vereiste dat de winst niet later dan in de achtste maand na afloop van het jaar ter beschikking wordt gesteld van de aandeelhouders. Ten overvloede overweegt het Hof, dat de uitwerking voor het onderhavige geval van de brief van de staatssecretaris van Financiën (het ministerie van Financiën) van 28 juli 1998 niet ter beoordeling van de belastingrechter staat, maar slechts ter beoordeling van de staatssecretaris van Financiën dan wel de burgerlijke rechter.
De uitspraak op rechtspraak.nl