Hof 's-Hertogenbosch 6 december 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ9277
Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam C (hierna: de onderneming) en is door de Inspecteur aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). De onderneming is gevestigd op het huisadres van belanghebbende en haar echtgenoot. De eigen woning behoort geheel tot het privé-vermogen van belanghebbende en haar echtgenoot. Met het oog op de uitoefening van de onderneming heeft in 1997 en in 1998 een verbouwing plaatsgevonden aan de eigen woning, waarbij de zolder geschikt is gemaakt als werkruimte (hierna: de verbouwing). De werkruimte wordt, hoewel die ook als woonruimte zou kunnen worden aangewend, feitelijk volledig aangewend ten behoeve van de onderneming van belanghebbende, die nagenoeg haar gehele inkomen, bestaande uit winst uit onderneming, vanuit deze werkruimte verwerft. [..] Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: 1. Kwalificeren de kosten van de verbouwing respectievelijk de keukeninrichting als bedrijfsmiddelen waarover investeringsaftrek als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Wet kan worden verleend? 2. Komen bij het bepalen van de winst uit onderneming van belanghebbende tevens in aftrek de afschrijvingen ten aanzien van de verbouwing en de keukeninrichting? 3. Heeft de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel geschonden doordat de investering in een verbouwing van een huurpand niet gelijk wordt behandeld met de investering van de verbouwing in een tot het privé-vermogen behorende onroerende zaak?
De uitspraak op rechtspraak.nl