Hof 's-Hertogenbosch 5 oktober 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8733

De Inspecteur heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de termijn voor het doen van uitspraak pas is gaan lopen, nadat belanghebbende zijn bezwaarschrift heeft gemotiveerd, dat is volgens de Inspecteur op 9 januari 2004. Het hof kan de Inspecteur daarin niet volgen, nu uit de feiten, zoals vermeld onder 2.13 en 2.14, naar het oordeel van het hof volgt dat de Inspecteur de aanslag opgelegd heeft zonder zijn feitelijk onderzoek af te ronden, zodat belanghebbende op 8 november 2001 kon volstaan met het indienen van een summier bezwaarschrift. Bovendien heeft belanghebbende bij brief van 5 december 2001 het bezwaarschrift nader gemotiveerd. Naar het oordeel van het hof was het bezwaarschrift daarmee voldoende gemotiveerd. Voor zover de Inspecteur met zijn stelling de ontvankelijkheid van het beroep aan de orde wilde stellen, is het hof van oordeel dat, nu het bezwaarschrift bij de indiening of in elk geval relatief kort daarna voldoende was gemotiveerd en de Inspecteur niet binnen een jaar na ontvangst daarvan uitspraak heeft gedaan, belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, lid 2, van de AWR de uitspraak met een jaar heeft verdaagd. Overigens is ook die termijn overschreden. Belanghebbende is derhalve ontvankelijk in zijn beroep. Het beroep wordt krachtens artikel 6:20, lid 4, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraak van de Inspecteur van 13 februari 2004.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen