Hof 's-Hertogenbosch 11 oktober 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8731
Naar het oordeel van het Hof valt uit de hiervoor onder 4.2.1 en 4.2.2 weergegeven antwoorden van het HvJ EG in de zaak D af te leiden dat belanghebbende, als belastingplichtige die ingezetene van Duitsland is, moet worden geacht zich met betrekking tot de inkomstenbelasting over in Nederland gelegen onroerende zaken niet in dezelfde situatie te bevinden als een belastingplichtige die Belgisch ingezetene is (analoog aan punt 61, tweede zin, in het arrest in de zaak D). Naar het oordeel van het Hof valt hieruit verder af te leiden dat belanghebbende geen recht heeft op het heffingsvrije vermogen en evenmin op de heffingskortingen voor de inkomstenbelasting. Nederland is immers, onder toepassing van de artikelen 56 en 58 van het EG-verdrag, niet verplicht om, in een situatie van ongelijkheid tussen ingezetenen van de verdragsluitende partijen (België en Nederland) en ingezetenen van derde landen die geen verdragspartij zijn (in dezen Duitsland), de regel van artikel 25, paragraaf 3, van het Nederlands-Belgische belastingverdrag uit te breiden tot de ingezetene van de lidstaat die geen partij is bij die overeenkomst (in dit geval Duitsland).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 8 WFV
- Artikel 11 WFV
- Artikel 8:75 Awb
- Artikel 2.1 Wet IB 2001
- Artikel 2.5 Wet IB 2001
- Artikel 2.7 Wet IB 2001
- Artikel 5.5 Wet IB 2001
- Artikel 8.1 Wet IB 2001
- Artikel 8.2 Wet IB 2001
- Artikel 8.3 Wet IB 2001
- Artikel 8.4 Wet IB 2001
- Artikel 8.5 Wet IB 2001
- Artikel 8.6 Wet IB 2001
- Artikel 8.9 Wet IB 2001
- Artikel 8.9a Wet IB 2001
- Artikel 8.12 Wet IB 2001
- Artikel 14 EVRM