Hof 's-Hertogenbosch 28 november 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3333

Met betrekking tot het beroep op het opschortingsrecht overweegt het hof als volgt. Uit de stellingen van [appellant] in eerste aanleg blijkt dat er volgens hem in oktober 1999, december 1999 en juli 2000 (gevolg)schade is ontstaan, naar het hof begrijpt als gevolg van wateroverlast door lekkages ontstaan doordat [naam 1] de overeengekomen werkzaamheden slecht zou hebben uitgevoerd. Het hof begrijpt vooralsnog dat de gebreken aan de door [naam 1] geïnstalleerde werken zelf wel zijn hersteld en ook door [appellant] zijn goedgekeurd. [geïntimeerde] ontkent dat sprake is van dergelijke (gevolg)schade, subsidiair dat die zo groot was als door [appellant] gesteld. [appellant] dient derhalve te bewijzen dat dergelijke schade is ontstaan, en ook dat die de omvang had als door hem gesteld. Alvorens een bewijsopdracht te verstrekken, acht het hof het echter van belang dat [appellant] nader specificeert om welke schadeoorzaken het precies gaat, en welke schade hij als gevolg van die oorzaken heeft geleden. [geïntimeerde] kan daar uiteraard op reageren. Ook dient [appellant] daarbij aan te geven hoe hij deze oorzaken en deze omvang wenst te bewijzen. In ieder geval wat betreft de oorzaken ligt een deskundigenbericht voor de hand, maar gelet op het tijdsverloop is een deskundigenbericht wellicht niet meer mogelijk. Partijen wordt verzocht zich ook daarover uit te laten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen