Hof 's-Hertogenbosch 6 september 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1148
Belanghebbende stelt, dat nu bij de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting 2001 de Inspecteur voor de bepaling van het inkomen van box 3 uitgegaan is van de door belanghebbende aangegeven waarde van de panden, waarop hij slechts de hypothecaire schuld in aftrek heeft gebracht, zodat het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar 2001 vastgesteld is op nihil, de hypotheekrente in Nederland niet overeenkomstig artikel 23 BRK in aanmerking is genomen als negatief bestanddeel van belanghebbendes inkomen. Belanghebbende stelt, dat zij naast de aftrek van de schulden in het kader van de berekening van het forfaitaire rendement ook recht heeft op extra aftrek van de hypotheekrente. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende. Onder de Wet IB 2001 wordt het inkomen uit sparen en beleggen op forfaitaire wijze bepaald. Het inkomen wordt gesteld op 4% van de waarde van de bezittingen minus de schulden en hierop wordt vervolgens een vast tarief van 30% toegepast. Bij de vaststelling van belanghebbendes inkomen van box 3 is rekening gehouden met de hypothecaire schuld en daarmee naar het oordeel van het Hof in het kader van de forfaitaire inkomensvaststelling ook met de hypotheekrente. Naar het oordeel van het Hof is daarmee voldaan aan de uit artikel 23 BRK voortvloeiende verplichtingen. Artikel 23 BRK verplicht Nederland niet tot een afzonderlijke aftrek van de hypotheekrente zoals belanghebbende voorstaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl