Hof 's-Hertogenbosch 11 augustus 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1138

Mede gezien het gestelde in het arrest van het hof van Justitie van 26 april 2005 moet er vanuit worden gegaan dat marktdeelnemers, die de economische handelingen waarop de wet doelt verrichten, in casu de verhuur van onroerend goed, door middel van persberichten van de komende vaststelling van deze wet en de voorgenomen terugwerkende kracht in kennis zijn gesteld. In het kader van de toepassing van het communautaire vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel ligt het dan naar het oordeel van het hof op de weg van belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij niet in staat is geweest te begrijpen welke gevolgen de voorgenomen wetswijziging voor zijn handelingen zou hebben. Nu belanghebbende, gevraagd naar een reactie op meergenoemd arrest van 26 april 2005, terzake geen feiten en omstandigheden heeft gesteld en ingevuld, heeft hij naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is geweest te begrijpen welke gevolgen de voorgenomen wetswijziging voor zijn handelingen zou hebben, zodat zijn beroep op communautaire vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel moet worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen