Hof 's-Hertogenbosch 15 augustus 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6479
Het hof overweegt dat de Ontvanger bij een keuze van de fiscale weg of de civiele weg en/of een wijziging van die keuze gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het hof volgt [appellante] evenwel niet in haar stelling dat een afwijking van de ingeslagen weg reeds op zichzelf in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Uit de door [appellante] hierbij aangehaalde memorie van toelichting (Kamerstukken II, vergaderjaar 1987/1988, 20 588, nr. 3, blz. 8) blijkt niet meer dan dat de Ontvanger niet zonder meer van de ingeslagen weg kan afwijken, en ingevolge het bepaalde in art. 3 par. 1 lid 2 van de Leidraad [..] blijkt dat er een afweging van belangen dient plaats te vinden in die zin dat het belang van de invordering bij een dergelijke wijziging dient op te wegen tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. Hetgeen door [appellante] [..] wordt gesteld rechtvaardigt niet de conclusie dat de Ontvanger in casu zonder meer is overgegaan tot het gebruik van civielrechtelijke bevoegdheden, ondanks de reeds ingeslagen fiscale weg, en evenmin de conclusie dat hij heeft gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, terwijl ook niet is gesteld of gebleken dat [appellante] door het leggen van het conservatoire beslag in haar belangen is geschaad.
De uitspraak op rechtspraak.nl