Hof 's-Hertogenbosch 13 juli 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6069
De voor de toepassing van de - vóór 1 januari 2001 in artikel 8, lid 1, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, thans in artikel 3:13, lid 1, onderdeel a, van de Wet opgenomen - vrijstelling van kwijtscheldingswinst gestelde eis dat de kwijtschelding betrekking dient te hebben op niet voor verwezenlijking vatbare rechten, houdt naar het oordeel van het hof in dat een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur op grond van de ten tijde van de kwijtschelding bestaande feiten en omstandigheden, zoals deze voor hem kenbaar konden zijn, tot het oordeel moest komen dat pogingen tot inning of verhaal vruchteloos zouden blijven of tot naar maatschappelijke opvattingen onaanvaardbare gevolgen zouden leiden. Het hof verwijst ter zake naar HR 5 april 1995, nr. 29.940, BNB 1995/219 en HR 24 december 2004, nr. 39.522, BNB 2005/108. Na verwijzing moet derhalve nog de vraag worden beantwoord of A zakelijk heeft gehandeld door de vordering kwijt te schelden nadat deze was verjaard. Naar het oordeel van het Hof moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. [..]
De uitspraak op rechtspraak.nl