Hof 's-Hertogenbosch 29 juni 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AY5643
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 mei 1996, nr. 30.212, BNB 1996/249 beslist dat hetgeen is bepaald in de artikelen 11, 12 en 15 van de IW 1990 met zich mee brengt dat het onaanvaardbaar is dat de ontvanger de kosten van invordering in rekening zou kunnen brengen zonder dat de belastingschuldige in de gelegenheid is geweest van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen. Belanghebbende stelt dat de Ontvanger door het aanslagbiljet en het dwangbevel aan zijn zoon op zijn huisadres uit te reiken niet aan de onder 4.1 omschreven voorwaarde heeft voldaan. Belanghebbende was immers, naar hij stelt, niet zelf aanwezig om van de aanslag kennis te nemen wegens zijn verblijf in het buitenland. Het Hof leidt evenwel af uit de mededeling van belanghebbende ter zitting dat zijn gemachtigde op 21 juli 2004 in de middag telefonisch contact heeft opgenomen met de ontvanger teneinde tot een regeling te komen, dat belanghebbende kort na het uitreiken van het aanslagbiljet in kennis is gesteld van de uitreiking van het aanslagbiljet en de betekening van het dwangbevel. Belanghebbende is naar het oordeel van het Hof in de periode tussen 21 juli 2004 en 26 juli 2004 in voldoende mate in de gelegenheid geweest zijn uit de aanslag voortvloeiende belastingschuld geheel of gedeeltelijk te voldoen.
De uitspraak op rechtspraak.nl