Hof 's-Hertogenbosch 20 juni 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0420

In grief 1 voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten bij de beoordeling van de schending van de precontractuele goede trouw door [appellante] te betrekken het handelen van [geïntimeerde], zoals dat blijkt uit de bevindingen van de deskundige. De grief richt zich hiermee in feite tegen de beoordeling door de rechtbank in het tussenvonnis van 28 juli 1998, zodat deze grief van [appellante] - gelet op hetgeen het hof hiervoor in rechtsoverweging 4.1 heeft overwogen - reeds daarom moet worden verworpen. Dat [appellante] zich thans beroept op het oordeel van de deskundige, welk oordeel pas is gegeven na dat tussenvonnis, doet daaraan niet af, temeer omdat [appellante] ook in haar eerste hoger beroep een beroep gedaan heeft op de in deze grief bedoelde monopoliepositie van [geïntimeerde].

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen