Hof 's-Hertogenbosch 23 mei 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AX5657

Art. 6, eerste lid, aanhef en onder f van de Politiewet 1993; Art. 50, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000; De staandehouding van verdachte vond plaats ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie door de wachtmeesters der Koninklijke Marechaussee. Het raadplegen van het opsporingsregister vond plaats ter controle van de identiteits- en documentgegevens van verdachte en derhalve ter uitoefening van de in art. 6 van de Politiewet opgedragen politietaak. Verdachte heeft vervolgens verklaard dat hij in het bezit was van een geldig rijbewijs, maar dat hij dat niet bij zich had. Omdat het rijden zonder rijbewijs een strafbaar feit oplevert, waren verbalisanten, toen zij constateerden dat verdachte geen rijbewijs bij zich had, bevoegd verdachte opdracht te geven zijn rijbewijs te komen tonen. Van een onrechtmatig optreden van verbalisanten is dan ook geen sprake. Het bewijs dat het door verdachte getoonde rijbewijs vals is, is derhalve rechtmatig verkregen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen