Hof 's-Hertogenbosch 25 april 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AX0997

In literatuur en lagere rechtspraak is reeds vaker betoogd dat de begrotingsprocedure voor de rechtspraktijk onwenselijke gevolgen met zich brengt. Het hof verwijst slechts naar een beperkt aantal vindplaatsen, waaronder P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt in TCR 2003/3, blz. 70- 72, Rechtbank Zwolle 27 juni 2001, NJ 2002, 251 en Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27 december 2005, LJN AV2136. AG Huydecoper betitelt in zijn conclusie onder Hoge Raad 12 oktober 2001, NJ 2002, 165, de begrotingsprocedure als een museumstuk. De uit de rechterlijke macht afkomstige commissie verbetervoorstellen civiel heeft in haar op 22 juni 2004 gepresenteerde eindrapport als aanbeveling 13.2. opgenomen: 'Aanbevolen wordt de regeling inzake de begroting van een advocatendeclaratie als vervat in de artikelen 32 tot en met 40 Wet tarieven in burgerlijke zaken te schrappen'. Hoezeer voorstellen van de tegenstanders van de begrotingsprocedure de rechtspraktijk mogelijkerwijze ook ten goede kunnen komen, zij gaan er echter terecht vanuit dat de begrotingsprocedure van art. 32-40 WTBZ tot het positieve, thans geldende, recht behoort. Onlangs heeft de Hoge Raad dit in enkele arresten nog bevestigd. In zijn arrest van 15 april 2005, LJN AS2044, NJ 2006, 45 overwoog de Hoge Raad dat de begrotingsprocedure in burgerlijke zaken toepasselijk is op Nederlandse advocaten ook indien de zaak (mede) betrekking heeft op buitenlands recht. In zijn arresten van 4 maart 2005, LJN AR7439 en 4 maart 2005, NJ 2005, 370 verklaart de Hoge Raad telkens de advocaat in het tegen de 33 WTBZ-beslissing ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk nu ingevolge art. 37 j° 40 lid 3 WTBZ alleen het middel van herziening door de rechter die de beslissing gegeven heeft, mogelijk is. Uit het voorgaande volgt dat de eventuele afschaffing van de begrotingsprocedure dan ook enkel door de wetgever bewerkstelligd zal kunnen worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen