Hof 's-Hertogenbosch 25 april 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AX0959

Op zichzelf acht het hof het niet onbegrijpelijk dat [appellante] zijn niet erg fraaie en in slechte bouwkundige staat verkerende muur wil weghalen en vervangen. In dit geval staat niet vast hoe lang de situatie, dat er problemen kunnen ontstaan als de muur wordt weggehaald, al bestaat, en evenmin van wiens zijde die situatie is gecreëerd. Daaraan kunnen dus geen argumenten worden ontleend die zouden kunnen bijdragen aan het oordeel dat [appellante] jegens [geïntimeerde], of [geïntimeerde] jegens [appellante], onrechtmatig handelt. De hinder die zou kunnen ontstaan - zowel bij [geïntimeerde] als bij [appellante] - zal naar het hof aanneemt slechts van tijdelijke duur zijn, aangezien [appellante] kennelijk wel de bedoeling heeft een andere erfscheiding terug te plaatsen. Mede gelet op [..] is het hof van oordeel dat beide partijen onvoldoende hebben gesteld over de mate van hinder die zij zullen ondervinden bij het wegzakken van grond van [geïntimeerde], om hun vordering in kort geding te kunnen toewijzen. Derhalve staat voorshands noch voldoende vast omtrent het onrechtmatig toebrengen van hinder door [appellante] aan [geïntimeerde], noch omtrent het onrechtmatig toebrengen van schade door [geïntimeerde] aan [appellante]. De voorzieningenrechter heeft derhalve de reconventionele vordering van [appellante] terecht afgewezen en de vordering van [geïntimeerde] in conventie ten onrechte toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen