Hof 's-Hertogenbosch 14 maart 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AW4163

Het hof is van oordeel dat, indien de stellingen van [appellant] komen vast te staan, de situatie aan de orde is zoals geregeld in art. 3:307, lid 2 BW. Er is in dat geval immers sprake van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd van een overeenkomst inhoudende de verplichting van [broer appellant] (overgegaan op [geïntimeerde]) tot levering aan [appellant] van het 1/10 aandeel in het pand. Een dergelijke voor onbepaalde tijd aangegaan overeenkomst is blijkens het bepaalde in art. 6:38 BW terstond opeisbaar. De verjaringstermijn van twintig jaren als bedoeld in art. 3:307, lid 2 BW is derhalve aangevangen op 1 maart 1978, zijnde de dag volgend op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door [appellant], op zijn vroegst mogelijk was.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen