Hof 's-Hertogenbosch 6 september 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5184

Ingevolge artikel 3:109 BW wordt [appellant sub 1] vermoed de stroken voor zichzelf te houden. Dit vermoeden kan door [geïntimeerden] worden weerlegd door aan te tonen dat er slechts sprake is van houden voor een ander. In dit verband heeft [geïntimeerde sub 1]aangevoerd dat [appellant sub 1] aan [geïntimeerde sub 1]net nadat deze eigenaar was geworden van het perceel met het voormalige schoolgebouw, heeft gevraagd of hij, [appellant sub 1], de stroken A en/of B zou kunnen kopen of huren en dat [appellant sub 1] dit bij een latere gelegenheid (verkoopaanbod aan [appellant sub 1] van de ondergrond van de garage) nog eens heeft gedaan, terwijl tijdens het bemiddelingsgesprek met de politie naar aanleiding van het hekwerk, [appellant sub 1] heeft toegezegd het perceel van [geïntimeerde sub 1] voor 12 november 2002 te zullen ontruimen. [geïntimeerde sub 2] heeft in dit verband aangevoerd dat [appellant sub 1] op 29 augustus 2002 heeft toegegeven dat hij de grond gebruikte welke eigendom was van [geïntimeerde sub 1]. Indien een van deze stellingen komt vast te staan dan is het vermoeden van artikel 3:109 BW weerlegd en wordt [appellant sub 1] geacht vanaf 28 december 1990 de stroken grond niet voor zichzelf te houden en niet het bezit te hebben (gehad) van de stroken grond. [geïntimeerden] zullen tot bewijslevering worden toegelaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen