Hof 's-Hertogenbosch 19 juli 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU0211
Het hof bevestigt het beroepen vonnis (rechtbank Breda 10-11-2004, LJN AR5394) met dien verstande dat, het hof aan de in het beroepen vonnis opgenomen motivering van de vrijspraak van het aan de verdachte onder 1. en 3. ten laste gelegde nog toevoegt, dat bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet is komen vast te staan, dat de dood van [slachtoffer] door de onder 1. weergegeven toediening van medicijnen is veroorzaakt. Ten aanzien van die toediening is het hof, de inhoud van de verklaringen dan wel berichten van de deskundigen tot de overtuiging gekomen, dat - gezien zowel de aard van de middelen als de dosering ervan - verdachtes bedoeling bestrijding van de bij [slachtoffer] waargenomen symptomen was en niet de beëindiging van diens leven.