Hof 's-Hertogenbosch 14 april 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AT9303
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan het bevel zich van het perceel te verwijderen en dat hij zich met geweld heeft verzet tegen de opsporingsambtenaren. Verdachte heeft zelf ten overstaan van de politie verklaard dat hem duidelijk was meegedeeld dat hij het terrein moest verlaten, dat hij (het hof leest:) niet voornemens was het terrein te verlaten omdat hij de bewoners niet alleen wilde laten en omdat hij meende in zijn recht te staan. Uit de verklaring van [verbalisant 5] blijkt dat verdachte, toen hij werd aangehouden, zich verzette waarbij hij zich probeerde los te rukken op een grove manier. Dat sprake zou zijn geweest van een zodanig disproportioneel geweld dat dit zou dienen te leiden tot toepassing van artikel 359a van het wetboek van strafvordering is niet aannemelijk geworden en overigens ook niet door de raadsman gesteld. Ook is niet aannemelijk geworden dat de opsporingsambtenaren, toen zij verdachte aanhielden omdat hij niet voldaan had aan het bevel zich te verwijderen, uit waren op het verkrijgen van zijn fotokaart, zoals de verdachte kennelijk veronderstelde.
De uitspraak op rechtspraak.nl