Hof 's-Hertogenbosch 10 mei 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AT6604

De rechtbank heeft de vordering uit hoofde van artikel 3:196 BW afgewezen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. 4.4.2. De erven hebben de prealabele vraag voorgelegd naar het object van de verdeling bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van benadeling van meer dan een kwart. Deze vraag houdt verband met het feit dat tussen [geïntimeerde] en erflaatster al verregaande overeenstemming bestond over de verdeling en dat de afspraken daaromtrent reeds waren uitgevoerd. Tussen [geïntimeerde] en erflaatster waren alleen nog de verdeling van de voormalige woning en de daarop rustende hypotheek nog niet afgerond. Wel bestond daarover overeenstemming welke is neergelegd in een (concept van een) notariële akte. Een afschrift daarvan is overgelegd bij conclusie van antwoord. Effectuering van de inhoud van deze akte had nog niet plaatsgevonden. 4.4.3. Het hof verwijst naar de beginwoorden van artikel 3:196 lid 1 BW, luidende: 'Behalve op de algemene voor vernietiging van rechtshandelingen geldende gronden is een verdeling ook vernietigbaar, wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en (...)'. Vernietigbaar is derhalve het object van de wil, dat leed aan een gebrek. In dit geval is dit (de inhoud van) de notariële akte, en niet de (verdeling van de) gehele huwelijksgoederengemeenschap, welke verdeling immers berust op een aantal tussen partijen gemaakte afzonderlijke afspraken (wilsovereenstemmingen) waaromtrent niet is gedwaald. Vgl. Hof Den Bosch 18 november 2003, NJF 2004/200 en EB 2004/47.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen