Hof 's-Hertogenbosch 9 december 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR8199

Partijen zijn in Marokko met elkaar in het huwelijk getreden. De man heeft de Marokkaanse nationaliteit, de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. Bij de bestreden beschikking is naar Nederlands recht onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de verdeling van de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap bevolen. De man komt hiervan in hoger beroep en stelt onder meer dat zowel op de echtscheiding als op de verdeling van de huwelijksgemeenschap het Marokkaans recht van toepassing is. Aangezien beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is op grond van art. 1 lid 1 sub b van de Wet conflictenrecht echtscheiding (WCE) het Nederlands recht op de echtscheiding van toepassing. De stelling dat partijen welbewust in Marokko naar Marokkaans recht zijn getrouwd, zodat op de echtscheiding het Marokkaans recht van toepassing zou dienen te zijn, doet daaraan niets af, nu de WCE bij gebrek aan een gemeenschappelijke nationaliteit alleen een rechtskeuze voor het Nederlands recht kent (art. 1 lid 4 WCE). De grief, dat met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap het Marokkaans recht van toepassing is, omdat partijen welbewust in Marokko naar Marokkaans recht zijn gehuwd, treft geen doel, aangezien noch het feit dat het huwelijk in Marokko is gesloten, noch het feit dat het huwelijk naar Marokkaans recht is gesloten een geldige rechtskeuze in de zin van art. 13 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978 (het Verdrag) oplevert. Gelet op het feit dat de man zich circa vier maanden na de huwelijkssluiting in Marokko bij de vrouw in Nederland heeft gevoegd, is Nederland de eerste gewone verblijfplaats van partijen na het sluiten van het huwelijk en is op grond van art. 4 lid 1 van het Verdrag het Nederlands recht van toepassing op de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen