Hof 's-Hertogenbosch 12 oktober 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR4676

De kernvraag in dit geding is of a. tussen [appellant] en [geïntimeerde] op grond van de eerder tussen hen gesloten mondelinge koopovereenkomst van 18 december 2001 en de nadien gesloten nadere overeenkomst van 16 januari 2002, een en ander in verband met de vertraging die in de uitvoering van die overeenkomsten is ontstaan en in hoofdzaak te wijten was aan [appellant], een rechtsverhouding is ontstaan die meebracht dat [appellant] op grond van de eisen van de redelijkheid en billijkheid gehouden was in de (aan te passen) concept-koopakte op hoofdpunten geheel of in doorslaggevende mate tegemoet te komen aan de wensen van [geïntimeerde], en b. [appellant] door zulks niet te doen tekortschoot in de nakoming van zijn, aldus op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid ontstane, verplichtingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen