Hof 's-Hertogenbosch 5 november 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AN8705

Uit de stukken en de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte tezamen met zijn broer op 13 april 2002 mest heeft uitgereden op een perceel landbouwgrond, welke was begroeid met gras en behoorde tot het bedrijf van hun vader. Vervolgens hebben zij een begin gemaakt met het onderwerken van deze mest met behulp van een freesmachine. Ter terechtzitting is komen vast te staan dat dit betreffende perceel landbouwgrond bestendig werd gebruikt voor het telen van maïs en dat telkenmale in het najaar de grond werd verrijkt door middel van het zaaien van Italiaans raaigras. Dit gras wordt aldus aangewend als grasgroenbemester. Naar het oordeel van het hof is de voorliggende vraag thans of onder voornoemde omstandigheden dit perceel landbouwgrond bezaaid met gras moet worden aangemerkt als “grasland” in de zin van artikel 1, eerste lid onder r, van de Meststoffenwet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen