Hof 's-Hertogenbosch 4 juli 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AL1847

De Inspecteur heeft in het verweerschrift gesteld en hij heeft tijdens het onderzoek ter zitting verklaard dat de aangifte over het onderhavige jaar niet is gedaan binnen de ingevolge artikel 64, tweede lid, onderdeel h, ten 2° van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB 1964) juncto artikel 20, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 gestelde termijn van drie jaar na afloop van het kalenderjaar. Het Hof acht deze verklaring geloofwaardig. Op grond hiervan heeft de Inspecteur, mede gelet op artikel 12 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terecht bij voor bezwaar vatbare beschikking besloten geen aanslag op te leggen. Gesteld noch gebleken is dat hier sprake is van enige andere omstandigheid op grond waarvan de belanghebbende niettemin op grond van artikel 64 van de Wet IB 1964 in aanmerking komt voor het opleggen van een aanslag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen