Hof 's-Hertogenbosch 27 augustus 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AI1508
Het begrip van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid is in het verleden ten aanzien van politiek getinte acties regelmatig gepresenteerd als een zelfstandige rechtvaardigingsgrond. In feite betreft het hier een verzamelbegrip voor een groot aantal verschillende verweren die niet onder het wettelijke begrip "overmacht" kunnen worden vervat, maar daarmee wel grote verwantschap vertonen. De nadruk wordt, zoals in casu, niet zozeer gelegd op het bestaan van een concrete noodsituatie, als wel op het feit dat het nagestreefde doel van zodanig hogere orde is, dat daarmee zelfs de schending van strafbepalingen gerechtvaardigd wordt. Aan de ten laste gelegde delicten komt echter, naar het oordeel van het hof, de strafbaarheid niet te ontbreken door de omstandigheid dat de delicten zijn begaan met de bedoeling om daarmee eigenmachtig aan een streven als dat van verdachte kracht bij te zetten. Het is niet aanvaardbaar dat, hoe honorabel een nagestreefd doel ook kan zijn, de strafwet ten aanzien van de methode om dat doel te verwezenlijken zou moeten wijken voor het "betere rechtsinzicht" van de verdachte.
De uitspraak op rechtspraak.nl