Hof 's-Hertogenbosch 17 juni 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AH9657
Ingevolge art. 217 Rv. kan ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen daarin te mogen tussenkomen. Het tussen [geïntimeerde] en Woonpartners aanhangige geding betrof de opschorting van een dreigende ontruiming van de woning waarin ook [dochter 1] woonachtig is. Naar het oordeel van het hof had zij er belang bij om in die procedure met eigen argumenten te trachten de ontruiming te voorkomen. Dat zij bij die tussenkomst vertegenwoordigd wordt door haar moeder, die zelf partij is in de hoofdzaak, doet hieraan niet af.(..) Bij de beoordeling van een geschil als het onderhavige, dat betrekking heeft op de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard ontruimingsvonnis, dient ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad als uitgangspunt te gelden dat de executant tot tenuitvoerlegging bevoegd is tenzij die tenuitvoerlegging als misbruik van die bevoegdheid moet worden aangemerkt. Van misbruik kan sprake zijn als het te executeren vonnis op een klaarblijkelijke vergissing berust of als op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten de tenuitvoerlegging klaarblijkelijk een noodtoestand voor de geëxecuteerde zou doen ontstaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl