Hof 's-Gravenhage 27 november 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY4189
In een eerder kort geding-vonnis is op vordering van de Dierenbescherming een handelaar in jonge hondjes verboden om voor een periode van vijf jaar in honden te handelen. Dit kort geding-vonnis is in hoger beroep vernietigd. De hondenhandelaar vordert vervolgens schadevergoeding van de Dierenbescherming op grond van de onrechtmatige (dreiging met) executie van het kort geding-vonnis, en op grond van onrechtmatige uitlatingen van de Dierenbescherming over de handelaar in de media. Het hof wijst de vordering gedeeltelijk toe. De (dreiging) met executie van het kort geding-vonnis was, gelet op de vernietiging van dit vonnis in hoger beroep, onrechtmatig. Het hof is daarbij van oordeel dat het in kort geding gegeven verbod te algemeen en verstrekkend was, en daarmee onjuist, en wijst er op dat het in de eerste plaats de taak van de LID en de AID is om toezicht te houden op de handel in dieren en om zonodig maatregelen te nemen. De uitlatingen van de Dierenbescherming over de hondenhandelaar in de media acht het hof niet onrechtmatig, gezien de vele ernstige klachten die vanaf 2006 bij de Dierenbescherming zijn binnengekomen van kopers over de slechte gezondheidstoestand van een door hen bij de handelaar gekochte pup. De uitlatingen van de Dierenbescherming waren gebaseerd op een voldoende degelijk onderzoek en niet feitelijk onjuist. Ook het gebruik van de term "malafide hondenhandelaar" acht het hof niet onrechtmatig.
De uitspraak op rechtspraak.nl