Hof 's-Gravenhage 9 maart 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP7486
Premie werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten Wfsv. De gedifferentieerde premie voor de WGA kan niet worden aangemerkt als een criminal charge, maar er is wel sprake van de determination of civil obligations. De rechtsgang van de werkgever dient te voldoen aan artikel 6 EVRM. Nu belanghebbende de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar en beroep in te stellen tegen de voortzetting van de toekenning van de WAO-uitkering aan de (ex-)werkneemster bij de bestuursrechter is in de onderhavige procedure m.b.t. de gedifferentieerde premieheffing WGA geen plaats voor een toetsing van de duur en de hoogte van de WAO-uitkering. Er is geen strijd aanwezig met artikel 6 EVRM. Ten aanzien van de toetsing van de in de Wfsv en andere wettelijke bepalingen zoals de Wet WIA neergelegde bepalingen met betrekking tot de gedifferentieerde premie, geldt dat bij de beoordeling of sprake is van een met artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM of artikel 1 van het Twaalfde protocol bij het EVRM strijdige ongelijke behandeling, die bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Bij de beoordeling van de tegen de hoogte van de gedifferentieerde premie aangevoerde grieven met betrekking tot het Besluit Wfsv dient te worden voorop gesteld dat slechts die bepalingen in het Besluit als in strijd met de Wfsv moeten worden geoordeeld waarvan moet worden geoordeeld dat de wetgever ze redelijkerwijs niet op het oog kan hebben gehad. Het Hof is van oordeel dat de door de wetgever voor de invoering van premiedifferentiatie gehanteerde algemene argumenten berusten op redelijke uitgangspunten. De besluitgever is de delegatiebevoegdheid van artikel 38, vierde lid, Wfsv niet te buiten gegaan met de in artikel 2.9 van het Besluit Wfsv gegeven regeling waarbij de WAO-uitkeringen worden betrokken bij de berekening van de opslag of korting. Het Hof vindt geen aanleiding om artikel 117b, derde lid, onder c, Wfsv (vangnetgevallen) onverbindend te verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl