Hof 's-Gravenhage 26 oktober 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BK1478

1. Naar het oordeel van het hof bezit Nederland thans ten aanzien van de beklaagde geen rechtsmacht, nu het openbaar ministerie geen enkel nader onderzoek naar beklaagde’s rol bij of aandeel in de hem verweten foltering van klager heeft gedaan of mogelijk –in de zeer korte periode dat beklaagde in Nederland heeft verbleven- heeft kunnen doen, hij toen ook niet is aangehouden en de beklaagde zich thans niet meer in Nederland bevindt. 2. Het hof overweegt ten overvloede nog –buiten het kader van het ontbreken van rechtsmacht- met betrekking tot de eventuele opportuniteit van een vervolging van beklaagde in Nederland, dat noodzakelijk nader onderzoek in Israel op het eerste gezicht niet tot de mogelijkheden lijkt te horen, nu niet te verwachten valt dat de Israëlische autoriteiten daartoe toestemming zouden verlenen. 3. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie –na het vertrek van de beklaagde uit Nederland- in redelijkheid heeft kunnen besluiten tegen de beklaagde geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Het beklag wordt afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen