Hof 's-Gravenhage 23 juni 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ7247

Art. 12 Sv. Naar het oordeel van het hof is in deze zaak sprake van eenzelfde feitencomplex als waarvan door klager reeds eerder beklag is gedaan en waarover het Gerechtshof ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam zich reeds een oordeel heeft gevormd. Het hof is van oordeel dat klager onder die omstandigheden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, tenzij sprake is van nieuwe omstandigheden als bedoeld in artikel 12d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof begrijpt de stelling van klager aldus, dat verder onderzoek zou moeten leiden tot nieuwe omstandigheden als bedoeld in genoemd artikel. Het hof is echter van oordeel dat geen nader onderzoek iets kan veranderen aan de door gerechtshof ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam gehanteerde afwijzingsgronden, te weten: a. verjaring van de strafbare feiten waarvan aangifte is gedaan (smaad en laster, schending van het ambtsgeheim) en b. de onmogelijkheid om vast te stellen dat er sprake was van causaal verband tussen de gedragingen van beklaagde en eventuele poging tot doodslag jegens klager. De vraag of verder onderzoek nog kan leiden tot nieuwe omstandigheden als bedoeld in artikel 12d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, beantwoordt het hof derhalve negatief. Gelet op het vorenstaande dient klager in zijn beklag niet-ontvankelijk te worden verklaard en dient op grond daarvan het beklag te worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen