Hof 's-Gravenhage 22 juli 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3346

Het hof schorst het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte (in de Piranhazaak), teneinde de tenuitvoerlegging van een aan de verdachte eerder opgelegde onherroepelijke gevangenisstraf mogelijk te maken. Uit artikel 5 van het EVRM volgt dat niemand in voorlopige hechtenis mag worden gehouden wanneer met minder vergaande middelen hetzelfde of ten minste een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. De vrijheidsbeneming als gevolg van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk aan de verdachte opgelegde vrijheidsstraf (artikel 5, lid 1 a EVRM) is in het algemeen te beschouwen als een minder zware inbreuk op het recht op persoonlijke vrijheid dan de vrijheidsbeneming die het gevolg is van toepassing van voorlopige hechtenis (artikel 5, lid 1 c EVRM). In de onderhavige zaak is er geen reden om van dit algemeen uitgangspunt af te wijken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen