Hof 's-Gravenhage 31 maart 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ1584
Tussen partijen is in geschil of de Ontvanger mevrouw [X] terecht aansprakelijk heeft gesteld voor de helft van de belastingschuld van [B], welke vraag door de Ontvanger bevestigend en door belanghebbende ontkennend wordt beantwoord. De Ontvanger stelt zich in het principaal ingestelde hoger beroep op het standpunt dat de belastingschuld van [B] is ontstaan als gevolg van in zijn onderneming aangegane verbintenissen, die moeten aangemerkt als te zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. Van de aansprakelijkheid voor - na ontbinding van de huwelijksgemeenschap: de helft van - dergelijke schulden kan men zich niet bevrijden door afstand van de gemeenschap. Voorts neemt de Ontvanger het standpunt in dat het mevrouw [X] niet vrijstond afstand van de gemeenschap te doen, aangezien zij zich door de ontvangst van belastingteruggaven over 2001 en 2003 de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken. Belanghebbende heeft de standpunten van de Ontvanger gemotiveerd bestreden en stelt zich op het standpunt dat artikel 1:85 BW niet van toepassing is op de belastingschuld van [B] en voorts dat de ontvangst van belastingteruggaven door mevrouw [X] niet aan de door haar gedane afstand in de weg staat. In het incidenteel ingestelde hoger beroep stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de aan de beslissingen van de rechtbank ten grondslag liggende motivering niet geheel juist is.
De uitspraak op rechtspraak.nl