Hof 's-Gravenhage 1 mei 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BI3518
Accijns van lichte minerale oliën. Artikel 71d van de Wet op de accijns. Vliegtuigbenzine. Plezierluchtvaartuig. Uit de definitie van "plezierluchtvaartuig" in artikel 66, derde lid van de Wet op de accijns, volgt dat indien een vliegtuig door de eigenaar daarvan voor commerciële doeleinden wordt gebruikt, geen sprake is van een plezierluchtvaartuig. Nu tussen partijen vaststaat dat belanghebbende het vliegtuig op commerciële basis verhuurt, is te dezen sprake van gebruik door de eigenaar voor commerciële doeleinden. Het vliegtuig is mitsdien ter zake van die verhuur niet te duiden als plezierluchtvaartuig. Nu tevens vaststaat dat de administratie van belanghebbende voldoende gegevens bevat om te kunnen vaststellen dat sprake was van verhuur en dat deze verhuur een commercieel karakter had, en belanghebbende – naar niet in geschil is – ook overigens heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 35f van de Uitvoeringsregeling accijns, had zij recht op de verleende teruggaven van accijns. De naheffingsaanslag is derhalve ten onrechte opgelegd. De boete is eveneens ten onrechte opgelegd, allereerst omdat de naheffingsaanslag niet in stand blijft. Bovendien is de boete ten onrechte opgelegd omdat omtrent de onderwerpelijke wettelijke bepalingen – zoals blijkt reeds uit deze zaak – zoveel ruimte voor discussie laten omtrent de uitleg en de toepassing ervan, dat belanghebbende geen verwijt treft indien zij hieromtrent een ander, pleitbaar standpunt inneemt dan de Inspecteur, zou het standpunt van de Inspecteur al juist zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl