Hof 's-Gravenhage 29 februari 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BC5454

Fiscale fraude horecabedrijven 1. Veroordeling wegens medeplegen van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften, meermalen gepleegd. Het hof stelt voorop dat een natuurlijk persoon als pleger zoals bedoeld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt, ook al zou op grond van artikel 51 SR vervolging van die natuurlijke persoon als feitelijk leidinggevende of opdrachtgever mogelijk zijn geweest en/of vervolging van een rechtspersoon mogelijk zijn geweest. Voorts wordt overwogen dat een persoon zeer wel als medepleger van een kwaliteitsdelict kan worden aangemerkt, niettegenstaande de omstandigheid dat die persoon zelf die bedoelde kwaliteit ontbeert. Aan verdachte is onder 1 primair en 2 primair verweten dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen het aldaar verwoordde verwijt heeft gepleegd. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat onder een “ander” een rechtspersoon wordt begrepen. Het hof leest de tenlastelegging aldus dat als één van de medeplegers telkens is bedoeld de in de tenlastelegging onderscheiden rechtspersoon op wiens naam een aangifte was gesteld. Op die onderscheiden rechtspersoon rustte steeds de plicht tot het doen van aangifte. Die rechtspersoon heeft in een bewuste en nauwe samenwerking met onder meer verdachte deze aangiften onjuist c.q. onvolledig gedaan, een en ander zoals hiervoor bewezen verklaard. Verdachte en de onderscheiden rechtspersonen zijn ten opzichte van elkaar te duiden als medepleger. Deze uitleg van de tenlastelegging is niet in strijd met haar bewoordingen noch met de strekking van de tenlastelegging. 2. Criminele organisatie Vooropgesteld moet worden dat de criminele organisatie, zoals omschreven in de tenlastelegging, niet vereenzelvigd kan worden met [naam geheel vennootschappen]. De criminele organisatie ziet op een conglomeraat van natuurlijke personen en een aantal rechtspersonen. Het doel van de verdachte en de medeverdachten was het succesvol drijven van horecaondernemingen. In hun eigen opvatting kon dat alleen door het afromen van de omzet en het uitbetalen van zwart loon, hetgeen vanaf het begin van de oprichting van het zogenaamde [naam geheel vennootschappen] structureel werd toegepast en onderdeel uitmaakte van de vaste bedrijfsvoering binnen de vennootschappen. Naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband van natuurlijke en rechtspersonen, waarbij hiërarchie (gezagsverhouding) en het (doen) geven van aanwijzingen en instructies aan de medewerkers bij aanvang van hun dienstverband duidelijk zichtbaar waren. Er werd naar het oordeel van het hof weliswaar een oorbaar doel nagestreefd, echter men trachtte dit te verwezenlijken door middel van onder andere het plegen van strafbare feiten zoals het plegen van belastingfraude en valsheid in geschrift. Hiermee is het plegen van misdrijven een nevendoel, niet zozeer van [naam geheel vennootschappen] zelf, maar van het hiervoor genoemde conglomeraat van natuurlijke en rechtspersonen verworden. Binnen dit kader hadden verdachte en zijn medeverdachten het oogmerk op het plegen van misdrijven. 3. administratie en bewaarplicht artikel 52 AWR Het hof overweegt dat de reikwijdte van dit artikel dient te worden afgeleid uit de wetsgeschiedenis van dat artikel, alsmede uit de jurisprudentie die zich op dit punt heeft ontwikkeld. Naar het oordeel van het hof heeft de wetgever met artikel 52 AWR het oog gehad op het vastleggen en bewaren van gegevens betreffende de vermogenstoestand van de administratieplichtige en van al hetgeen zijn bedrijf, beroep of werkzaamheid betreft, voorzover daaruit van het bestaan van rechten en verplichtingen van de administratieplichtige alsmede voor de belastingheffing overigens van belang zijnde feiten kan blijken. De bewaarplicht strekt zich niet alleen uit tot gegevens die voor de belastingheffing van de administratieplichtige zelf van belang kunnen zijn maar ook tot gegevens die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van derden. Gelet hierop en daarbij in aanmerking nemende het feit dat zonder die stukken voor de belastingdienst geen effectieve controle mogelijk is, is het hof van oordeel dat krachtens artikel 52 van de AWR de klad kasadministratie, (kassa)bonnen, personeels- en urenlijsten en werkroosters dienen te worden bewaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen