Hof 's-Gravenhage 6 juli 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AY2223

De wijze waarop het openbaar ministerie dient om te gaan met inbeslaggenomen voorwerpen, is geregeld in het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) en daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften. Ingevolge artikel 117 Sv worden inbeslaggenomen voorwerpen niet vervreemd dan na machtiging van het openbaar ministerie; deze machtiging kan onder meer worden verleend indien het vervangbare voorwerpen betreft en de tegenwaarde daarvan op eenvoudige wijze kan worden bepaald. In dat geval blijft het beslag rusten op de verkregen opbrengst. Voorts is in artikel 118a Sv bepaald dat het openbaar ministerie op verzoek van de beslagene of een andere belanghebbende een voorwerp waarop verhaalsbeslag ligt, onder zekerheidsstelling kan doen teruggeven. Ingeval een last tot teruggave is gegeven en de bewaring van de inbeslaggenomen voorwerpen door vervreemding als bedoeld in artikel 117 Sv is beëindigd, gaat de bewaarder over tot uitbetaling van de prijs die het voorwerp bij verkoop door hem heeft opgebracht of redelijkerwijze zou hebben opgebracht (artikel 119 Sv). US dollars zijn vervangbare voorwerpen; de tegenwaarde ervan kan op eenvoudige wijze (door hantering van de vigerende wisselkoers) worden bepaald. De vervreemding ervan door het openbaar ministerie heeft in het onderhavige geval derhalve overeenkomstig de wet kunnen plaatsvinden. Had Dukdalf Beheer voor haar handelsactiviteiten over de US$ willen beschikken, dan had zij aan het openbaar ministerie teruggave kunnen verzoeken onder bereidverklaring tot het stellen van zekerheid. Niet is gesteld of gebleken dat zij dat heeft gedaan. De stelling van Dukdalf Beheer dat de Staat haar van de vervreemding op de hoogte had dienen te stellen, vindt geen grondslag in de wet; slechts de rechter-commissaris in strafzaken dient daarvan in voorkomend geval op de hoogte te worden gesteld (artikel 117a Sv). Gelet op het bovenstaande had Dukdalf Beheer ook geen goede grond om te veronderstellen dat het geld in dezelfde valuta zou worden bewaard. Evenmin is de Staat gehouden te voldoen aan het verzoek de inbeslaggenomen US$ in dezelfde valuta terug te geven; de rechthebbende kan tegenover de bewaarder slechts recht doen gelden op de opbrengst. Ingevolge artikel 4 van het op het Wetboek van Strafvordering gebaseerde Besluit inbeslaggenomen voorwerpen (verder: Biv) dient inbeslaggenomen geld (waarmee de aan beslag onderworpen opbrengst van vervreemde inbeslaggenomen voorwerpen kan worden gelijkgesteld) zo spoedig mogelijk te worden gestort op de postbankrekening van het gerecht in eerste aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd of vermoedelijk zal worden vervolgd, tenzij de officier van justitie bepaalt dat de bewaarder (de griffier bij dat gerecht) dat geld onder zich houdt. In het laatste geval wordt geen rente verkregen; niet is gesteld of gebleken dat bij storting van de tegenwaarde wel rente wordt ontvangen. In het onderhavige geval is overeenkomstig de hoofdregel van dit voorschrift gehandeld; derhalve is geen sprake van werkelijk ontvangen rente die aan de rechthebbende op de inbeslaggenomen US$ zou dienen te worden afgedragen. De door Dukdalf Beheer voorgestane handelwijze (rentedragend beleggen) zou ertoe hebben geleid dat in strijd met dit wettelijke voorschrift was gehandeld. Daartoe was de Staat uiteraard niet gehouden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen