Hof 's-Gravenhage 29 maart 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8684

Beroep op onrechtmatig verkregen DNA De rechtmatigheid van het verkregen bewijs De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd - kort en zakelijk weergegeven - dat de resultaten van de DNA-vergelijking ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 onrechtmatig zijn verkregen en derhalve dienen te worden uitgesloten van het bewijs, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van die tenlastegelegde feiten. Zulks op gronden als weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 9 juni 2005 en het vonnis van 23 juni 2005. Ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende komen vast te staan. Op elk van de plaatsen delict betreffende de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten is een spoor (respectievelijk een sigarettenpeuk, een bloedspoor en nog een sigarettenpeuk) veiliggesteld. Van deze sporen zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) DNA-profielen opgemaakt, waarna deze profielen in de DNA-databank zijn opgenomen. Deze drie profielen bleken met elkaar overeen te komen en zijn uiteindelijk geclusterd onder nummer 804. Op 23 januari 2004 is door de officier van justitie aan het NFI verzocht om in een (nieuwe) zaak onder parketnummer 09-900059-04 DNA-onderzoek te verrichten naar een referentiemonster van wangslijmvlies van de verdachte. Dit DNA-profiel van de verdachte is op 20 april 2004 opgenomen in de DNA-databank en vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Uit dit vergelijkend onderzoek is gebleken dat het DNA-profiel van de verdachte overeenkwam met de profielen die waren verwerkt onder het hiervoor genoemde cluster. Het NFI heeft in een rapport d.d. 28 april 2004 verslag gedaan van dit onderzoeksresultaat. Dit rapport is door het NFI aan de officier van justitie en, in kopie, aan de regiopolitie toegezonden. Het bevindt zich thans in kopie in de onderhavige procesdossiers betreffende de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten. De zaak met parketnummer 09-900059-04 is op 10 augustus 2004 geseponeerd. Naar het oordeel van het hof brengt deze omstandigheid niet mee dat het rapport van 28 april 2004 niet tot het bewijs in dezen kan worden gebezigd. Aan dit oordeel legt het hof de volgende overwegingen ten grondslag. Anders dan de raadsman heeft betoogd wettigt het enkele feit dat genoemde zaak is geseponeerd niet de conclusie dat de afname van DNA-materiaal van de verdachte onrechtmatig was en (bijkomende) omstandigheden die deze conclusie wèl zouden kunnen dragen zijn gesteld noch anderszins aannemelijk geworden. Voorts leverde het genoemde sepot naar 's hofs oordeel geen omstandigheid op als bedoeld in artikel 16 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken (verder: het Besluit). Immers, het NFI had bovengenoemde "match" reeds gevonden vóórdat dit sepot plaatsvond en deze "match" leverde een redelijke grond op voor de verdenking van de verdachte terzake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde misdrijven. Verdachte kon derhalve ook na het sepot in de bovengenoemde zaak nog altijd worden aangemerkt als verdachte van een misdrijf als bedoeld in artikel 16 van het Besluit. Aan een en ander doet niet af de enkele omstandigheid dat eerst na vermeld sepot met nader onderzoek naar verdachtes betrokkenheid bij de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten een aanvang is gemaakt. Het hof merkt overigens voorts nog op dat het rapport van 28 april 2004 niet behoort tot de in artikel 17 van het Besluit opgesomde stukken en gegevens die vernietigd dienen te worden wanneer zich een omstandigheid als bedoeld in genoemd artikel 16 voordoet. Het verweer wordt verworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen