Hof 's-Gravenhage 20 april 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AW2484

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de het niet opnemen van de toepassing van Plavix bij electieve stentplaatsing in het geneesmiddelenvergoedingssysteem niet in strijd komt met de in artikel 7:453 BW opgenomen verplichting van een hulpverlener om de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en daarbij in overeenstemming te handelen met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. De weigering van de Minister om Plavix te vergoeden bij electieve stentplaatsing is niet in strijd met het stelsel van het Besluit zorgverzekering. Nu tussen deskundigen kennelijk verschil van mening bestaat over de therapeutische meerwaarde van Plavix, kan een beslissing daarover door het hof zonder nadere bewijsvoering niet worden genomen. Zoals reeds overwogen, is daarvoor in het kader van een kort geding als het onderhavige geen plaats. Een belangenafweging valt, mede gezien het uitgangspunt dat wettelijke voorschriften slechts buiten toepassing worden gelaten als ze onmiskenbaar onrechtmatig zijn, naar het oordeel van het hof in dit kort geding niet – ook niet tijdelijk – ten gunste van de cardiologen uit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen