Hof 's-Gravenhage 24 maart 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AT3175
FNV c.s. hebben onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat de weigering van de Staat om het Besluit van 29 juni 1983 houdende vaststelling van een minimumjeugdloonregeling uit te breiden naar jongeren in de leeftijdscategorieën van 13 en 14 jaar in strijd is met art. 26 IVBPR, art. 7 ESH en art. 7 IVESC. Het standpunt van de Staat komt erop neer dat het onderscheid tussen 13- en 14-jarigen enerzijds en 15-jarigen anderzijds objectief gerechtvaardigd is. Het hof oordeelt dat daarbij in ieder geval niet voldaan is aan het vereiste dat het middel proportioneel is. Het hof merkt in dit verband op dat het de Staat is die zich beroept op een rechtvaardigingsgrond voor een in beginsel verboden onderscheid en dat het dan ook op de weg van de Staat ligt feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat en waarom het nagestreefde doel niet op andere wijze dan door het maken van leeftijdsonderscheid kan worden bereikt. De Staat heeft niet aangevoerd dat, wanneer een minimumloon voor 13- en 14-jarigen zou worden ingevoerd, adequate controle op arbeid verricht door jeugdigen van deze leeftijden niet mogelijk of onevenredig bezwaarlijk zou zijn. Een en ander betekent dat het niet vaststellen van een minimumjeugdloon voor 13- en 14-jarigen in strijd is met art. 26 IVBPR.
De uitspraak op rechtspraak.nl