Hof 's-Gravenhage 9 maart 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AT2626
Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5.12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon. Het hof heeft bewezen verklaard dat het feit geheel buiten Nederland is gepleegd, nu uit de tachograafschijven valt te lezen dat de periode van 24 uur waarbinnen het feit is gepleegd, was voltooid voordat de vrachtwagenchauffeur binnen Nederlands grondgebied kwam. Ingevolge artikel 8:1, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer wordt bij niet naleven van artikel 2.5:1, vierde lid, van dat besluit (de Europese rusttijdenregeling) de werkgever aangemerkt als de overtreder. Noch uit de artikelen 3 tot en met 7 van het Wetboek van Strafrecht, noch uit artikel 3 van de Wet op de economische delicten, noch uit de wetgeving inzake de arbeidstijden in het wegvervoer valt op te maken dat een buitenlandse werkgever als verdachte volgens de Nederlandse wetgeving strafbaar is wegens het door een (Nederlandse) vrachtwagenchauffeur-werknemer niet in acht nemen van de Europese wettelijke rusttijden, ingeval deze overtreding geheel in het buitenland is gepleegd. Met name stelt artikel 11:1 van de Arbeidstijdenwet het plegen van dergelijke feiten slechts strafbaar indien de feiten worden gepleegd door een Nederlander en een in Nederland gevestigde werkgever. Nu de verdachte niet in Nederland is gevestigd, is het ter zake van haar bewezenverklaarde feit in Nederland niet strafbaar. Zij dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De uitspraak op rechtspraak.nl