Hof 's-Gravenhage 30 december 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AS1915

Uitleg art. 5:20 Awb. Indien voor een behoorlijk toezicht noodzakelijk is of kan zijn dat informatie beschikbaar komt, die niet, of niet meer, bij degene op wie toezicht wordt gehouden aanwezig is, dient de toezichthouder die informatie ook bij een derde te kunnen verkrijgen. Het voorschrift dat medewerking alleen behoeft te worden gegeven indien de toezichthouder die bij de uitoefening van zijn bevoegdheden redelijkerwijs kan vorderen, biedt volgens het hof voldoende waarborg dat ook rekening wordt gehouden met het gerechtvaardigd belang dat een derde bij weigering van medewerking zou kunnen hebben. Het hof is van oordeel dat het Commissariaat de bevoegdheid heeft zich ervan te vergewissen of die opgevraagde controledossiers de gewenste en mogelijke informatie opleveren en dat hij zich niet behoeft neer te leggen bij de overigens niet toegelichte mededeling van Ernst & Young dat die dossiers geen nuttige informatie bevatten. Het hof meent dat het doel van het verzoek van het Commissariaat om inzage in de dossiers te verkrijgen ook voldoende duidelijk naar voren is gebracht. De vordering van het Commissariaat om inzage te krijgen in de controledossiers is naar het voorlopig oordeel van het hof dan ook niet in strijd met de bepalingen over toezicht op de naleving in de Awb, noch met algemene rechtsbeginselen, beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen