Hof 's-Gravenhage 14 oktober 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AR3880
De vervolging van [betrokkene] wegens voorwetenschap viel niet buiten zijn normale risico. Dit geldt ook voor de vervolging wegens valsheid in geschrifte, aangezien de feiten waarop deze vervolging was gebaseerd zeer nauw samenhingen met de vervolging voor misbruik van voorwetenschap. Indien uit het strafdossier (de einduitspraak of anderszins) blijkt dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan, kan er onder omstandigheden aanleiding zijn tot vergoeding van schade indien de vervolging voor de verdachte onevenredig nadelige - dat wil zeggen buiten het normale risico vallende - gevolgen heeft gehad. Dit laatste doet zich in het onderhavige geval echter niet voor. Voor zover bedoeld criterium wel van toepassing zou zijn, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat in de HCS-zaak noch ten aanzien van de art. 336a-zaak noch ten aanzien van de art. 225-zaak is gebleken dat [betrokkene] zich niet heeft schuldig gemaakt aan hetgeen waarvan hij werd verdacht. Voor de conclusie dat uit het strafdossier blijkt van de onschuld van de verdachte is vereist dat deze zich bij kennisneming van het dossier met enige evidentie opdringt. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het hof wijst er in dit verband op dat ten aanzien van de art. 336a-zaak zich in het dossier wel degelijk bewijsmateriaal bevindt dat erop kan wijzen dat de informatie waarover [betrokkene] beschikte koersgevoelig was. De eventuele nadelige gevolgen van de vervolging in de RDM-zaak komen voor risico van [betrokkene] en kunnen niet leiden tot een civiele aanspraak uit onrechtmatige daad jegens de Staat. De Staat heeft noch in de HCS-zaak noch in de RDM-zaak onrechtmatig jegens [betrokkene] gehandeld. In het midden kan dan ook blijven of de gestelde vereenzelviging zou meebrengen dat een onrechtmatige daad jegens [betrokkene] ook een onrechtmatige daad jegens Begemann oplevert.
De uitspraak op rechtspraak.nl